Fokkerij | Magazine | Premium

Is inteelt een probleem?

Ja: ‘We putten allemaal uit dezelfde genenbron’
Nee: ‘Er is voldoende onverwant bloed’

Een keer een lam met een korte onderkaak of kromme poten brengt geitenhouders niet direct van de wijs. Een eenmalige tegenvaller. Of is dit een gevolg van inteelt in de geitenpopulatie?

In 2016 schreef Geitenhouderij al eens over inteelt. Daarin vertelde Jack Windig, wetenschappelijk onderzoeker genetica bij het Animal Breeding and Genomics Centre van Wageningen UR Livestock Research, dat inteelt zou kunnen zorgen voor skeletvervorming of kanker of blindheid. Specifiek werden kromme poten, strekpoten, korte onderkaken, navelbreuken, lijfbieders en slijters genoemd. Conclusie was toen dat geitenhouders meer zouden moeten registreren en zich meer een fokkerijcultuur zouden moeten aanmeten, omdat anders steeds meer inteeltdepressie (een verminderde genetische variatie van populaties, wat leidt tot negatieve effecten op met name vruchtbaarheid, levensduur en productie) zou plaatsvinden.

In welke mate is er sprake van inteelt? Die vraag is lastig te beantwoorden. Er zijn geen cijfers beschikbaar die ons vertellen of, en in welke mate er inteelt is bij de Nederlandse geitenpopulatie. Het Louis Bolk Instituut maakte in 2011 wel een inschatting van de kans op inteelt in de biologische fokkerij, en stelde die op 76,5 procent. In het rapport staat: ‘Alleen bij het kleine aantal bedrijven met een gesloten fokkerij (= eigen aanfok van bokken) en een totale registratie is het mogelijk de verwantschap van de dieren te controleren en te veel inteelt te voorkomen. Bij de andere bedrijven is het gevaar van inteelt groot.’

De Nederlandse Organisatie voor de Geitenfokkerij (NOG) is voor de stamboekregistratie van de vijf Nederlandse geitenrassen onlangs overgestapt op een nieuw programma, ZooEasy. Op de NOG-pagina’s in dit nummer wordt uitgelegd hoe in dat programma onder andere de verwantschap tussen dieren berekend kan worden.

Geen cijfers, dus op gevoel

Bij het ontbreken van cijfers kunnen we niet veel anders dan kijken naar het gevoel in de sector dat leeft omtrent inteelt. Er zijn geitenhouders die zich in meer of mindere mate zorgen maken over inteelt. Bijvoorbeeld Jacco Fokkema uit Een-West (Drenthe). Hij denkt dat inteelt een probleem aan het worden is in de Nederlandse geitensector, ook al is dit nog niet altijd zichtbaar. “Onze populatie is inmiddels dan wel van zeer grote omvang, maar de ‘genenpopulatie’ is zeer klein. Een hoge inteeltgraad en een­zijdig fokken op bijvoorbeeld een hoge melkproductie zijn perfecte ingrediënten om zwakke dieren in de stal te krijgen die hun productie niet aankunnen.”

Dat het overgrote deel van de Nederlandse geitenhouders uit dezelfde oorspronkelijke bron put voor verjonging in de stal, is volgens Fokkema een risico voor inteelt.
Pieter Schoenmakers, geitenspecialist bij Voergroep Zuid en fokker van Witte en Bonte geiten die het goed doen op keuringen, is dat met hem eens, maar vindt dit wel afhangen van de bokkeuze. “Er is misschien niet veel keuze bij GKN, maar er ís wel keuze. Dat het veelal Merilla-bokken zijn klopt natuurlijk wel, maar in die stal zitten verschillende lijnen. Alle Merilla’s hebben niet dezelfde genen.”

Schoenmakers ziet inteelt dan ook niet als probleem. Hij adviseert zijn klanten een gesloten bedrijfsvoering en bijna allemaal hebben ze die. “Lopen zij vast? Nee. Ik heb daar nog nooit inteeltdepressie gezien.” Hij denkt zelfs dat inteelt misschien wel overschat wordt in de sector. “Ik heb nog nooit heel nadelige gevolgen van inteelt gezien, op een paar muizenoortjes en te korte onderkaak na. Op het overgrote deel van de melkgeitenbedrijven is er niets over afstammingen bekend en wordt voor vermeerdering een bok van GKN gepakt. Wat hebben we op die manier al wel niet onbewust aan inteelt gedaan? Dan zouden we nu toch al veel grotere­ ellende door inteelt gehad hebben?”

Vers bloed moeilijk te vinden

Bij zijn eigen dieren ziet Fokkema overigens niet veel zichtbare problemen. “Dat komt met name door het goede werk van Aline Gortemaker, waar een groot deel van mijn dieren vandaan komt.” Hij heeft meer problemen met het vinden van bokken om vers bloed te krijgen.

Dat laatste speelt meer geitenhouders parten. Mart-Jan de Jong, biologisch geitenhouder in Stolwijk (ZH), past een gesloten bedrijfsvoering toe en heeft een fokkerijplan om inteelt te voorkomen. Hij riep hierbij de hulp in van onderzoeker Wytze Nauta. “Het streven is om met het steeds combineren van de beste geitenfamilies binnen het bedrijf een fok­populatie te creëren waaruit bokken voort­komen voor de rest van het bedrijf en ook voor andere bedrijven”, zo omschrijft Nauta in het blad Ekoland. De Jong vult desgevraagd aan: “We krijgen nu steeds meer een geit die op ons bedrijf past, in onze biologische bedrijfsvoering, want we fokken verder met geiten die op ons bedrijf hebben bewezen dat ze het goed aan kunnen.” Dat de bokken die hieruit geboren worden ook interessant kunnen zijn voor andere bedrijven, klopt, maar dat loopt niet storm. “Onze bokken zullen niet voor iedereen interessant zijn omdat we aan melkproductiecontrole doen via Fokwaarde+, geen EGAM hebben en biologisch zijn. Daar komt bij dat we een lagekosten­bedrijf willen hebben en dan krijg je niet de meeste liters melk. We doen het dus vooral voor onszelf”, aldus De Jong.

Praktisch gezien ziet deze familieteelt er op dit bedrijf als volgt uit: vooraf aan elke fokronde berekent Nauta welke bokken, die De Jong heeft aangehouden van de fokfamilies, met welke geiten mogen paren. Daar zit altijd nog ruimte in zodat De Jong de laatste selectie doet op basis van productiecijfers en andere kenmerken zoals inhoud, sterke uiers en benen. “De combinaties worden dus voor het dekken al doorgerekend op inteelt­percentage, dus er is geen inteeltgevaar. Ik kan genoeg combinaties maken met acht lijnen­”, aldus De Jong.

De Zuid-Hollandse geitenhouder denkt dat deze manier van fokken voor meer bedrijven interessant is. “De verschillen in bedrijfsvoering zijn in geen enkele sector zo groot als in de geitensector. Dit is een manier om een geit te fokken die in jouw bedrijfsvoering past”, aldus De Jong. “Je moet het wel leuk vinden”, beaamt hij, “Want er gaat wel wat tijd in zitten; het is best een uitzoekerij. Ook moet je goed opletten wanneer welke geit gedekt wil worden, en het uit de hand laten dekken is in het begin best een dingetje voor de bokken.”

Fundamentfokkerij

Ook Fokkema ziet toekomst in familieteelt zoals bij De Jong gedaan wordt, hij pleit voor zogenaamde fundamentfokkerij. Dan passen een aantal fokbedrijven het systeem van familieteelt toe, om zo dekbokken te produceren die minimaal verwant zijn aan de geiten­ op overige bedrijven, waardoor deze andere bedrijven voorzien kunnen worden van vers bloed.

De Drentse geitenhouder heeft zelf, door een herstart van zijn bedrijf, dieren van veel verschillende families en afstammingen waardoor er weinig verwantschap is. Het bedrijf is ingedeeld in een kleine fokgroep en een grote (duur)melkgroep. Fokkema past bij de fokgroep familieteelt toe door de geiten die voldoen of in de buurt komen van zijn selectie-eisen (productie, exterieur, gebruikseigenschappen en levensduur) in te delen in vijf verschillende groepen die bestaan uit een aantal ‘geitenfamilies’. “Zo ontstaan er op mijn bedrijf vijf verschillende populaties die geheel onverwant aan elkaar zijn en worden elk jaar bokken uit een andere groep gebruikt voor het dekken van de geiten uit de melkgroep”, aldus Fokkema. Een bedrijf waar gewerkt wordt met familieteelt kan eventueel bokken leveren aan andere bedrijven of de GKN, waardoor ze dan als het ware fundamentbedrijf worden. “Door elk jaar bokken te gebruiken uit een volgende groep of een ander fundamentbedrijf, is het makkelijker inteelt te voorkomen op het bedrijf dat de bokken inzet.”

Risico van ziekteverspreiding

Schoenmakers is huiverig voor het inzetten van bokken van andere bedrijven vanwege het risico op ziekteverspreiding. Ook ziet hij geen aanwijzingen dat er sprake is van inteelt in de sector en acht het dus niet direct noodzakelijk dat er meer genenbronnen naast GKN komen. “Ik zie in de sector meer dierziektes die het gevolg kunnen zijn van het verplaatsen van dieren dan effecten van inteelt. Ik ben dus voorstander van gesloten bedrijven.”

In de praktijk gebeurt het zelfs dat hij adviseert om een bok in te zetten die enigszins verwant is aan de geit. “Ik adviseer geitenhouders om de beste geiten op hun bedrijf uit te zoeken die liefst voldoen aan een bepaald productieniveau, persistentieniveau en aan een aantal exterieurkenmerken, en vervolgens balansparing toe te passen. Kortweg is dat het verbeteren van de slechte eigenschappen van dat dier door het te kruisen­ met een bok die die eigenschap wel heeft en vererft.” Schoenmakers kijkt daarbij dus eigenlijk altijd naar ki-bokken van GKN. Als daar keuze is tussen bokken die de gezochte eigenschap vererven, zou Schoenmakers de minst onverwante bok kiezen. “Maar is die keus er niet, en is er alleen een bok die enigszins verwant is aan de geit, dan adviseer ik toch die bok in te zetten.”

De geitenspecialist vindt aankoop van dieren bij collega-bedrijven enkel een optie als er op het eigen bedrijf geen gegevens bekend zijn van de dieren. “Zoek dan wel een bedrijf dat met een bijna gelijk milieu en management werkt, zodat je ervan uit kunt gaan dat dieren die het daar goed doen, dat op jouw bedrijf ook zullen doen. Of zoek hoogwaardig materiaal van hobbyfokkers. Als je besluit dieren aan te kopen, laat ze dan individueel onderzoeken op CAE en CL.”

Registreren

“Er is in Nederland genoeg onverwant bloed te vinden onder Saanengeiten”, denkt Fokkema. “Je moet alleen goed zoeken.” Een eerste­ stap die dit zoeken mogelijk maakt is registreren, zo wordt vaak gezegd. Als van meer geiten de vaders bekend zijn, heeft de geitenhouder beter in beeld of er verwantschap is tussen twee te paren dieren. Op melkgeitenbedrijven ontbreekt vaak deze registratie. Schoenmakers pleit voor meer geboorteregistratie en het doen van melk­productiecontrole. Bij de lammeren kan geboorteregistratie redelijk eenvoudig. Hij legt uit: “Zet twee broers in op de lammeren. De vader is een mengbok, maar je weet in elk geval wel wat over de vader.” Voor melkcontrole geldt: elke vorm van meten is beter dan niks doen. “En wil je melkmeters plaatsen, kijk dan naar goede“, adviseert Schoenmakers. En ook dan: iets is beter dan niets. “Al hang je er slechts twintig in een 80-stands melkstal.”

Fokkema heeft in zijn registratie de fokgeiten en –bokken het nummer van de groep waar ze toe behoren, verwerkt in de naam. Zo kun je altijd zien uit welke groep ze komen en dit komt dan ook op het afstammingspapier te staan. De lammeren van de gewone melkgeiten krijgen het nummer van de groep die dat jaar gebruikt is om te dekken. Bij deze dieren dien je dus elk jaar een ander nummer in de afstamming te zien om inteelt uit te sluiten.

Het advies uit 2012 uit het rapport van het Louis Bolk Instituut geldt dus nog: ‘Door meer te registreren, meer aparte fokkerij-units op te zetten en ook gebruik te maken van ki, kan meer spreiding in de genen ontstaan en kan meer gericht worden gefokt op melkproductiekenmerken waarbij inteelt wordt voorkomen.’
Is inteelt een probleem?

‘Je moet goed zoeken naar onverwant Saanenbloed’

Hoe werkt familieteelt

Familieteelt is een manier van fokken waarbij matige inteelt wordt gebruikt. Elk jaar zijn een aantal nieuwe jonge bokken nodig en worden verwantschappen in de eerste drie generaties vermeden. Er worden dus geen ouders met kinderen en kleinkinderen gekruist, ook geen broers en zussen of neven en nichten. Zo blijft de verwantschapsgraad van de dieren laag in de eerste drie generaties. Wanneer een bedrijf dit systeem consequent toepast ontstaat er na verloop van tijd een heel uniforme veestapel die een steeds hogere graad van verwantschap krijgt; niet in de eerste drie generaties, maar wel steeds meer in de vierde en hogere generaties. Omdat de verwantschappen in de veestapel op afstand zitten, zouden de dieren geen last van inteeltdepressie hebben. Veehouders selecteren daarbij wel streng op levenskracht om eventuele gevolgen van inteelt er uit te selecteren. Het Fries-Hollandse koeienras hanteert al sinds 1990 familieteelt om op die manier het ras in stand te houden ondanks de kleine omvang van de populatie.

Fokkema’s fundament

Fokkema heeft geiten die aan zijn selectie­criteria voldoen ingedeeld in vijf groepen waarbij geiten uit dezelfde moederlijn zijn samengevoegd. Elke groep bestaat dus uit een aantal geitfamilies waarop Fokkema familieteelt toepast. Zo ontstaan er vijf verschillende populaties die geheel onverwant aan elkaar zijn. Zo nu en dan worden er zorgvuldig ki-bokken geselecteerd voor vers bloed. De groepen bestaan uit:
1. Stamboekgeiten, die onverwant zijn aan geiten van melkbedrijven.
2 en 3. Geiten afkomstig van het biologische bedrijf Broeklander waar naast een hoge productie ook veel aandacht geschonken is aan het exterieur en karakter van de geiten. Er is een groep (2) met alleen eigen gefokte bokken in de eerste drie generaties en er is een groep (3) met in de eerste drie generaties diverse vaders van melkbedrijven in hun afstamming.
4. Geiten waarvan op moment van samenstellen van de groep, geen afstamming bekend was.
5. Geiten die behoorlijk verwant zijn aan de Nederlandse populatie.

Fokkema geeft graag meer uitleg aan geïnteresseerden.

Tekst en foto’s: Wilma Wolters

Je hebt zojuist een Premium bericht gelezen.
Het aantal premium artikelen dat je kunt lezen is beperkt. Wil je meer Premium lezen? Maak dan een gratis profiel aan.
Dit artikel komt uit vakblad Geitenhouderij. Lees meer uit deze uitgave
Dit Premium artikel krijg je cadeau. Onbeperkt lezen? Nu proberen
Over de auteur: Wilma Wolters
Wilma groeide op tussen koeien en paarden, en vond dat geweldig. Ze volgde de Hogere Agrarische School in Dronten, studeerde nog 2 jaar aan de...
Meer over: Fokkerij
Deel dit bericht: Facebook Twitter LinkedIn

Melkprijzen

NieuwsbriefGeitenmelkprijsvergelijking uitgevoerd door AgriMedia bv.
Bekijk de melkprijzen

Nieuwsbrief Geitenhouderij

Nieuwsbrief

Geitenhouderij archief

Blader in de archieven