Het aanpassen van het rantsoen aan het lactatiestadium hangt samen met hogere gehalten in geitenmelk. Vooral een gematigde hoeveelheid krachtvoer en kwalitatief goed ruwvoer lijken daarbij van belang. Dat blijkt uit onderzoek op 242 melkgeitenbedrijven in Noord-Griekenland.
Onderzoekers van de University of Thessaly onderzochten 242 bedrijven. Op ieder bedrijf werd van één melkgeit een melkmonster genomen. Daarnaast verzamelden de onderzoekers via een vragenlijst gegevens over onder meer rantsoenen en bedrijfsvoering. Ze bekeken vervolgens de samenhang tussen de voeding in de vroege, midden- en late lactatie en de gehalten aan vet, eiwit, lactose en vetvrije droge stof in de melk.
Een krachtvoergift van 300 tot 500 gram per geit per dag tijdens de midden- en late lactatie vertoonde de sterkste positieve samenhang met de melksamenstelling. Ook gras-klaverhooi, eiwitrijk krachtvoer, mengvoer met vitaminen en mineralen en een geschatte grasopname van 3 tot 4 kg per dag gingen samen met gunstigere gehalten.
Gemiddeld bevatte de onderzochte geitenmelk 4,81 procent vet, 3,82 procent eiwit en 4,44 procent lactose. De gehalten verschilden gedurende de lactatie. Midden in de lactatie waren de gehalten over het algemeen het laagst. In de late lactatie steeg het gemiddelde vetgehalte weer naar 5,00 procent en het eiwitgehalte naar 3,96 procent.
Een hogere jaarproductie per geit hing samen met lagere gehalten. De onderzoekers concluderen daarom dat niet simpelweg meer krachtvoer voeren de beste strategie is. Het rantsoen afstemmen op het lactatiestadium, met een gematigde krachtvoergift en goed ruwvoer, lijkt gunstiger voor de samenstelling en daarmee de verwerkingskwaliteit van de melk. Vooral voor de kaasproductie zijn hogere vet- en eiwitgehalten interessant.
De onderzoekers benadrukken dat het om een waargenomen samenhang en niet om een bewezen oorzakelijk verband gaat. Het onderzoek vond plaats op praktijkbedrijven en er werd per bedrijf slechts één geit bemonsterd. Vervolgonderzoek waarbij dezelfde dieren gedurende de gehele lactatie worden gevolgd, moet uitwijzen in hoeverre de gevonden voerstrategieën daadwerkelijk de melksamenstelling verbeteren.






